Jaap Schipper: het ontstaan v d Zaanse Schans

Geplaatst op: 2 januari 2020

De ontstaansgeschiedenis van de Zaanse Schans gaat lang terug – in 2021 wordt het 60-jarig bestaan van de Schans gevierd. Het kan echter geen kwaad eens te memoreren hoe deze bijzondere buurt tot stand is gekomen en wie daarvoor geijverd hebben. Architect, bedenker en stichter van de Zaanse Schans, Jaap Schipper, komt hierover zelf aan het woord in dit overzicht. En aangezien Jaap Schippers denktrant sterk wordt aanbevolen in het advies van Johan Remkes aan B&W van Zaanstad over de gang van zaken op de Zaanse Schans, presenteren we hier zijn – wel erg lange, maar lezenswaardige – overzicht van de jaren voorafgaand aan het ontstaan van dit bijzondere erfgoedgebied.

Dit overzicht komt uit het tijdschrift van de Vrienden van de Zaanse Schans – Anno 1961 – nummer 15, d.d. augustus 1965.

‘Nu het dit jaar 10 jaar geleden zal zijn, dat het Gemeentebestuur van Zaandam een bouwcommissie Zaanse Schans instelde, is er alle aanleiding om het samenspel tussen overheid en particulieren, dat sindsdien in wederzijds vertrouwen is gevoerd, nog eens te releveren.

1943

Men moet dan terug gaan naar het oorlogsjaar 1943, toen een houten pakhuis, aan de Zaan staande in de z.g. Gortershoek, verbouwd werd tot een stenen fabriekje met een hoge ijzeren schoorsteen. Hoewel men in 1943 wel iets anders had om zich over te ergeren, maakten de buren zich bepaald ongerust. Want vanaf de Julianabrug in noordelijke richting tot voorbij de in de Zaan uitstekende Gortershoek, bevond zich de enige nog gave Zaanoever, waar de woonbebouwing zich had weten te handhaven tegen aantasting door de industrie. Deze woonbebouwing bestond vrijwel nog geheel uit houten 18e-eeuwse panden, vrij vaak verbouwd, maar desondanks behouden hebbende het typische streekeigen gezicht, dat in de 18e eeuw reeds de vreemdelingen lokte tot het maken van een uitstapje te water op de Achterzaan.

De naaste buren vreesden het ergste. Zou dit het begin zijn van de gebruikelijke Zaanse wijze van industrievestiging? Namelijk men vestigt een bedrijfje in een schuurtje achter het huis; daarna begint na kortere of langere tijd de buren het lawaai, het roet en de stank te vervelen; de belendende woningen worden opgekocht, gesloopt en een nieuwe industrie heeft zich definitief gevestigd, maar kan zich slechts ten koste van de nieuwe buren verder uitbreiden.

1946

De vrees bleek niet ongegrond, want kort na de bevrijding werd het stenen gebouw met een verdieping verhoogd. Maar anders dan in 1943 kon het ongenoegen van de streekgenoten met deze gang van zaken uitmonden in een protest. Op 9 februari 1946 kwamen in het luchthuis van de familie Duijvis te Koog a. d. Zaan, een aantal toen nog jonge mensen bijeen, o.a. de heren Johan Groesbeek, Job Duijvis, Evert Smit, Wim de Boer, Theo van der Koogh en Jaap Schipper.

Men kwam al spoedig tot de conclusie, dat de ontstellende verarming van het aspect van onze Streek, vele oorzaken had. Zeker, in de oorlog waren de bomen gesloopt en de houten woningen niet behoorlijk onderhouden; daarvoor was reeds bijna de helft van de panden, die op de Monumentenlijst van 1921 stonden, gesloopt, maar… nu stond voor de deur, na 4 jaar stilstand, sterke uitbreiding van onze industrie en het wegennet. En dat terwijl onze fabrieken te midden van de woonbebouwing lagen en er in de Zaanstreek nauwelijks stedenbouwkundige maatregelen waren getroffen, die in de bebouwde kommen, de belangen van het wonen en de industrie afbakenden.

Tussen haakjes kan wel gememoreerd worden, dan nu na 18 jaar, de toestand bepaald nog niet bevredigend genoemd kan worden, al moeten daarbij de gemeenten Koog en Zaandijk met ere genoemd worden, als degenen, die voor de gehele bebouwde kom bestemmingsplannen hebben vastgesteld. Was de algemene situatie dus verontrustend, men achtte de mogelijke aantasting van de Gortershoek zo ernstig, dat men besloot, de Minister van O.K. en W. om maatregelen te vragen tot behoud van de Gortershoek.

Op 7 mei 1946 werd een geïllustreerd rapport over de Gortershoek aangeboden aan de toenmalige Secretaris Generaal van O.K. en W., de Hr. Van der Haagen. Hoewel dit rapport op het Ministerie, zowel als bij de Provinciale Planologische Dienst en Monumentenzorg gunstig werd ontvangen, bleek al spoedig, dat de wettelijke bepalingen nog niet voorzagen in het beschermen van hele buurten.

De enige instantie, die de Gortershoek zou kunnen beschermen, bleek de gemeenten Zaandijk zelf te zijn. Daartoe werd door de inmiddels opgerichte Stichting Zaans Schoon een bestemmingsplan voor de Gortershoek opgemaakt en aan de gemeente Zaandijk aangeboden. Dit werd door B. en W. welwillend ontvangen en met de stedenbouwkundige en Ranitz besproken, zodat hij ons voorstel, als suggestie, voor het nog door hem op te maken wettelijk plan zou kunnen gebruiken.

Maar er ontbrak nog een schakel in het veilig stellen van het Zaanse stads- en dorpsschoon. De Voorlopige Monumentenlijst van 1921 was zeer onvolledig, zodat gevreesd werd, dat zeer veel fraaie oude panden zonder meer gesloopt of onherkenbaar verminkt zouden kunnen worden.

Wij dachten aan het invoeren van een voor alle Zaangemeenten gelijkluidende Plaatselijke Monumentenverordening, waarbij de keuze van de te beschermen gebouwen, gedaan zou moeten worden door een voor alle Zaangemeenten aanvaardbare commissie. Wij wendden ons hiertoe om advies tot burgermeester J. in ’t Veld, van Zaandam, die tevens voorzitter was van de Zaanse burgermeesterkring.

Zijn advies was: richt je voor behoud van de oude schoonheid en de creatie van nieuwe schoonheid, zowel tot de plaatselijke overheid, als tot de bevolking, want uit de bevolking komt de gemeenteraad voort, die uiteindelijk beslist.

1948

Dit simpele maar zeer juiste advies heeft Zaans Schoon goed ter harte genomen. Op 17 februari 1948 vonden wij gehoor in een vergadering van alle Zaanse burgermeesters en gemeentesecretarissen. Op deze informele bijeenkomst bleek wel, dat iedereen overtuigd was van de noodzaak om de fraaie Zaanse panden te behouden, maar ook was iedereen pessimistisch over de mogelijkheden om een expansie zoekende industrie aan banden te leggen. En zo stelde burgermeester In ’t Veld ineens de vraag: “Zou het niet mogelijk zijn, de meest bedreigde panden over te plaatsen naar een pad of buurtje, dat op deze wijze a.h.w. geregenereerd wordt?” Iedereen was direct enthousiast voor deze gedachte. Van vele kanten kwamen in de vergadering suggesties.

Zaandam stelde voor:

  • het Mr. Cornelispad,
  • het Blauwe pad,
  • Haaldersbroek en
  • het land bij de molen De Poelenburg.

Zaandijk stelde voor:

  • het 1e Ezelspad,
  • het Arie de Bruinspad,
  • het Weeshuispad.

Het alternatief, dat nu geopperd was, leek ieder, afgezien van de technische en financiële merites, de enige oplossing voor een onoplosbaar geworden probleem. Het resultaat van de bespreking was: Zaans Schoon moest dit alles maar eens overwegen en een nader voorstel doen.
Hetgeen gebeurde. Maar daarbij kwam al spoedig naar voren, dat er eigenlijk verschillende soorten Zaanse huizen waren, n.l.

  • de huizen tussen weg en Zaan; verder
  • de huizen aan de overzijde van de wegsloot, en ten slotte
  • de huizen aan de paden.

Deze konden zonder verlies van het eigen karakter niet zonder meer naast elkaar herbouwd worden. Dit alles overwogen de heer v. d. Koogh en ik, toen wij van Haaldersbroek per fiets de Julianabrug passeerden en ons oog viel op de Zaanoever, ten noorden van de brug en juist tegenover de Gortershoek. Toen wij dit idee verder doordachten, bleken er alleen maar voordelen aan deze situatie te zijn.

Ten eerste:        Was het mogelijk woningen met de zo geliefde Zaanerven te bouwen.
Ten tweede:      Konden hier de huizen over de sloot en aan de paden gerealiseerd worden.
Ten derde:         Lag het terrein braak, zodat er niet gesloopt behoefte te worden alvorens te kunnen bouwen.
Ten vierde:        Had het als woonbuurt, gezien de centrale ligging in de Zaanstreek, vele voordelen.

Nu dit idee eenmaal geboren was, vroeg het om nadere uitwerking, omdat, zoals wel gebleken was, alleen een plan de suggestieve kracht bezit om deze gedachte bij de overheid en de bevolking aanvaardbaar te maken. Nu geviel het, dat ik in 1946 een Staatsprijs, de z.g. Prix de Rome had gewonnen, waaraan de verplichting verbonden was, 2 buitenlandse studiereizen te ondernemen en een studie te maken van een bouwkundig probleem in Nederland zelf.

1951

Overleg met het Ministerie van O.K. en W. leidde ertoe, dat ik in 1950 opdracht kreeg, een studie te maken van de Zaanse houtbouw en de maatregelen, die tot bescherming zouden kunnen leiden. In 1951 kwam deze studie gereed. Behalve een tweetal rapporten, bevatte het een uitgewerkt plan voor een bewoonde buurt van over te plaatsen houten panden in de Kalverpolder op de meergenoemde plek.

Op 11 september 1951 werd het plan in het gemeentehuis van Assendelft getoond aan de Zaanse burgermeesterskring. Op hun advies werd het plan op 20 oktober 1951 toegezonden aan de Gemeenteraden van alle 10 Zaanse gemeenten met het verzoek in principe te willen besluiten, aan de totstandkoming van het reservaat mede te werken.

Tevens werd voor het publiek in restaurant Loggen een tentoonstelling van het plan met de nodige toelichting gehouden. Hiermede was het plan voor het reservaat, later Zaanse Schans geheten, in de openbaarheid gebracht. Men mag wel zeggen, dat in het jaar 1952 de basis is gelegd voor de Stichting van de Zaanse Schans. In de plaatselijke pers (die wel een bijzondere pluim op de hoed verdient voor alle activiteiten), maar ook in de landelijke- en vakpers, werd het plan druk besproken en begroet als een typisch Zaanse oplossing voor een probleem, dat in Amsterdam, Haarlem en Maastricht weer geheel ander ligt en daarom ook om een andere oplossing vraagt.

Ook in het officiële vlak kwam er nu schot in de zaak. Alle Zaangemeenten waren in principe bereid gebleken, het plan te ondersteunen, terwijl 8 gemeenten Zaans Schoon een jaarlijkse subsidie toekenden, om reeds nu bouwfragmenten, afbraak, enz. aan te kopen om ter zijner tijd bij de herbouw te gebruiken. De heer Thomassen, die inmiddels burgermeester van Zaandam was geworden, bepleitte de plannen, met de hem eigen voortvarendheid, in Den Haag. Hoewel zij overal welwillend werden ontvangen, bleek de moeilijke toestand van ’s lands financiën oorzaak, dat een definitieve geldelijke toezegging achterwege bleef. Desondanks bleef men niet bij de pakken neerzitten. De gemeente Zaandam beet de spits af en mede, omdat de Zaanse Schans zich op haar grondgebied bevond, bleef ze de verwezenlijking van het plan nastreven.

1955

De gemeente bood aan, de benodigde gronden aan te kopen om deze later in erfpacht weer uit te geven. Tevens werd in 1955, onder voorzitterschap van wethouder Plooijer, een Bouwcommissie Zaanse Schans ingesteld om alles te doen, wat de zaak zou kunnen bespoedigen.

Teleurstellingen

Maar nu bleven de teleurstellingen niet uit. Alle grondeigenaren op één na,  bleken bereid hun grond in de Kalverpolder voor een redelijk bedrag af te staan. Met deze éne eigenaar werd het een jarenlang touwtrekken, zodat het alvast aanleggen van een weg, daardoor onmogelijk was. Ook de onderhandelingen met Den Haag schoten niet op. Telkens weer was de berooide kas van Monumentenzorg oorzaak, dat de zaak geen voortgang vond.

Een helder lichtpunt scheen er wel in deze periode. Tegen bijzonder veel weerstand in, gelukte het wethouder Plooijer, om het pand Westzijde 1 – de apotheek van Van Sante – door het personeel van Gemeentewerken Zaandam, volgens het plan van wijlen de heer J. Hamel, te doen overplaatsen naar de Kalverpolder. Er werd een keurig stuk werk geleverd, waarbij al veel ervaring met het overplaatsen van dergelijke houten panden werd opgedaan.

Toen wethouder Plooijer met pensioen ging, werd hij ook in zijn functie van voorzitter van Bouwcommissie opgevolgd door wethouder D. Metselaar. Deze wist in deze schijnbaar doodgelopen zaak, gesecondeerd door de heer Zuurmond, directeur van Openbare Werken, in een hernieuwde frisse aanval op Den Haag, een doorslaand succes te boeken met de these: “Als in deze zaak, waarin ieder de kat uit de boom kijkt, het Rijk voorgaat door een definitieve geldelijke toezegging te doen, dan zullen de Provincie, de Zaangemeenten en de Zaanse bevolking niet achterblijven!”

U weet, dat hij gelijk heeft gekregen en dat daarna met het eigenlijke werk kon worden begonnen. Ik meen dit overzicht hier wel te kunnen beëindigen, omdat de jongste ontwikkelingen genoegzaam bekend zijn, overigens in de hoop, dat deze voorgeschiedenis van de Zaanse Schans, waaruit bleek hoe de overheid een particulier initiatief steunde, voor de vrienden van de Zaanse Schans een stimulans mag zijn, op hun beurt de overheid te steunen.

Jaap Schipper

  Zie ook VOORLOPIG COMITE TOT DOCUMENTATIE EN BESCHERMING VAN ZAANSE MONUMENTEN

 

 

 

 

Share Button

Nieuws archief